CRvB 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2079
Intrekking en terugvordering bijstand. Geen geldige verblijfstitel. Geen gelijkstelling met Nederlander. Uitsluiting beroep op zeer dringende redenen. Vaststaat dat appellante in de te beoordelen periode geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Daaruit volgt dat zij in de te beoordelen periode niet voldeed aan het in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de PW gestelde vereiste van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000. Appellante kon alleen al om die reden in de te beoordelen periode niet op grond van artikel 11, derde lid, van de PW met een Nederlander worden gelijkgesteld. Daarom had het college dus niet de mogelijkheid om appellante over de te beoordelen periode op grond van zeer dringende redenen bijstand toe te kennen.
De uitspraak op rechtspraak.nl