CRvB 6 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1698
Verrekening van vorderingen. Omvang geding. Toetsing door rechter. Beroep op evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank heeft eerst onderzocht of het college bevoegd was om de vordering van appellante te verrekenen en vervolgens geoordeeld dat het verrekeningsbeleid gehanteerd door het college niet onredelijk is. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat in dit geval de schorsende werking van het door appellante ingestelde hoger beroep (nu nog) aan gebruikmaking van de bevoegdheid tot verrekening in de weg staat. Deze wijze van toetsen in rechte is in overeenstemming met de systematiek van de wet, waarbij allereerst wordt vastgesteld of er een wettelijke grondslag is voor de bevoegdheid om te verrekenen om vervolgens te beoordelen of het bestuursorgaan in het concrete geval in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik mag maken. De rechtbank is, anders dan appellante kennelijk wil betogen, met het oordeel over de wettelijke grondslag en de uitoefening van de verrekeningsbevoegdheid door het college niet buiten de omvang van het geding getreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl