CRvB 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:197
Afwijzing aanvraag om aanvullende bijstand. Gehuwd met niet-rechthebbende partner. Geen grond voor afstemming ogv art. 18 lid 1 PW. Bewijslastverdeling. Voor een individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand is slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Het is aan degene die deze afstemming wenst om aannemelijk te maken dat zich een zeer bijzondere situatie voordoet als hiervoor bedoeld. In dit geval gaat het – anders dan appellant stelt – echter niet om een ambtshalve toepassing van artikel 24 van de PW door het college. Het gaat hier namelijk om een aanvraagsituatie waarbij om (aanvullende) bijstand wordt gevraagd met toepassing van afstemming naar een hoger bedrag dan de toepasselijke norm. Hierbij geldt, anders dan mogelijk zou kunnen worden afgeleid uit één van de uitspraken van 17 december 2019, te weten die onder nummer ECLI:NL:CRVB:2019:4105, overeenkomstig de hoofdregel geen zelfstandige onderzoeksplicht voor het college, maar ligt de stelplicht en bewijslast omtrent het bestaan van zeer bijzondere omstandigheden die tot afstemming nopen bij de aanvrager, in dit geval dus bij appellant. Appellant is er niet in geslaagd om het bestaan van een zeer bijzondere situatie aannemelijk te maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4103
- CRvB 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4104
- CRvB 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4105
- CRvB 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918
- Rb. Limburg 11 april 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:3401
- CRvB 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1966
- CRvB 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492