CRvB 4 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1807
Intrekking van Wlz-zorg heeft, gelet op het verbod van reformatio in peius, ook in bezwaar niet mogen plaatsvinden. Met de invoering van artikel 3.2.4 van de Wlz is door de wetgever, anders dan onder de AWBZ, expliciet voorzien in een bevoegdheidsgrondslag voor CIZ om in bepaalde gevallen een eerder door CIZ afgegeven indicatiebesluit te herzien of in te trekken. De Raad stelt vast dat de daar genoemde criteria voor herziening of intrekking van een indicatiebesluit in dit geval niet van toepassing zijn. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij het besluit van 25 januari 2017 is herzien in die zin dat appellant per 11 november 2017 geen recht meer heeft op Wlz-zorg. Wat betreft het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2017 wordt als volgt overwogen. Appellant heeft niet duidelijk kunnen maken dat het door appellant gewenste zorgprofiel op basis van de grondslag verstandelijke handicap een hoger pgb zou opleveren dan het toegekende zorgprofiel op basis van de grondslag lichamelijke handicap. Gelet op de omstandigheden in dit geval is een nadere inhoudelijke beoordeling van het bezwaar door CIZ niet meer nodig en blijft het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2017, zoals vastgesteld bij het bestreden besluit, ongegrond. De Raad zal deze ongegrondverklaring dus op zichzelf beschouwd in stand laten. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1686
- CRvB 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2783
- CRvB 14 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3923
- CRvB 17 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3077
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009
- CRvB 15 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1958