CRvB 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1686
Geïndiceerde zorg betreft de samenhangende zorg behorende bij het bij de verzekerde best passende zorgprofiel zoals is vastgesteld in het indicatiebesluit. Een verzekerde is hierop niet langer aangewezen indien zijn zorgbehoefte wijzigt en de zorgvraag niet langer binnen het zorgprofiel past. Anders dan door appellant is betoogd, is hiervoor niet enkel bepalend dat sprake is van een verbetering van de gezondheidssituatie van de verzekerde. Onbesproken kan blijven of CIZ ook naast artikel 3.2.4 van de Wlz de bevoegdheid heeft om een indicatie in te trekken of te herzien als sprake is van herstel van een door CIZ gemaakte fout, omdat CIZ ter zitting heeft erkend dat geen sprake is van een eerder gemaakte fout met betrekking tot de indicatie van appellant. De verwijzing door CIZ naar onder de AWBZ tot stand gekomen rechtspraak volgt de Raad niet. Uit wat is overwogen volgt dat bestreden besluit 1 voor vernietiging in aanmerking komt en dat het besluit van 29 november 2019 moet worden herroepen. Omdat hiermee de grondslag aan de intrekking van het pgb is komen te ontvallen komt ook bestreden besluit 2 voor vernietiging in aanmerking en moet het besluit van 9 december 2019 worden herroepen. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de nummers 20/2968 en 20/2919 (de beroepen) vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 1 en 2 gegrond verklaren, deze besluiten vernietigen en de besluiten van 29 november 2019 en 9 december 2019 herroepen. Aanleiding bestaat CIZ en het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellant.
De uitspraak op rechtspraak.nl