CRvB 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1121
Bij besluit van 22 maart 2022 (nader besluit) heeft de staatssecretaris het (impliciete) verzoek van appellant om met toepassing van artikel 15 van de Regeling VVHO over de periode van 6 tot en met 16 januari 2020 een toelage toe kennen, afgewezen. Zoals ter zitting is besproken zal de Raad met toepassing van artikel 6:19 van de Awb het nader besluit in zijn beoordeling betrekken. Bestreden besluit 1 en nader besluit. Appellant heeft aangevoerd dat de salarisspecificatie van 14 januari 2020 als de eerste rechtsingang moet worden gezien om op te komen tegen de verplichte terugkeer naar Nederland op 6 januari 2020. Dit betoog slaagt niet. Appellant betwist niet dat hij op grond van artikel 3 van de Regeling VVHO geen aanspraak heeft op een toelage over de periode van 6 tot 17 januari 2020. Appellant heeft wel een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Van een onrechtmatige repatriëring, zoals appellant stelt, is geen sprake geweest. Daarin heeft de staatssecretaris dan ook geen aanleiding hoeven zien de hardheidsclausule toe te passen. Hieruit volgt dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond is en de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op bestreden besluit 1 moet worden bevestigd. Bestreden besluit 2. Met appellant en dus anders dan de staatsecretaris en de rechtbank, oordeelt de Raad dat het e-mailbericht van 13 januari 2020 moet worden aangemerkt als een besluit. Uit de stukken en wat appellant heeft aangevoerd blijkt niet van een toezegging van de zijde van de staatssecretaris waaraan appellant het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat hij voor bepaalde periodes in werkelijke dienst zou worden opgeroepen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op bestreden besluit 2, moet worden vernietigd. Het hoger beroep van appellant slaagt voor zover betrekking hebbend op bestreden besluit 2 en de aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd. Er bestaat aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift in de zaak 20/5357) en in hoger beroep (2 punten) waarde per punt € 759,-).
De uitspraak op rechtspraak.nl