CRvB 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2498
1) Appellant op goede gronden niet meer opgeroepen in werkelijke dienst en geplande diensten met onmiddellijke ingang geannuleerd. Geen sprake van enige (minimum)aanspraak op oproeping aan de zijde van de militair. Aan de staatssecretaris komt daarmee in beginsel de vrijheid toe om volledig af te zien van het oproepen van de reservist. Evenzeer staat het hem in beginsel vrij om ingeroosterde oproepen te laten vervallen. 2) Ontslag. Ook in dit geval, waarin de staatssecretaris heeft afgezien van verdere oproepingen en daarvan ook heeft mogen afzien, is immers ontegenzeggelijk sprake van het niet langer nodig oordelen - en mogen oordelen - van voorzetting van de dienstverhouding, zoals in artikel 39, vijfde lid, van het AMAR is bedoeld. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de staatssecretaris van de bevoegdheid tot ontslag die in dit artikellid is gegeven, in dit geval gebruik heeft mogen maken. Het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris slaagt. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 ten onrechte vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl