CRvB 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1098
Ter beoordeling ligt voor of sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst als bedoeld in artikel 7:1 van de CAR/UWO. Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat de feiten en omstandigheden die door appellante naar voren zijn gebracht aanleiding geven om te oordelen dat in dit geval sprake was van werkomstandigheden die, objectief bezien, een buitensporig karakter hadden. Uit het voorgaande is op te maken dat er een veelheid aan taken bestond zonder duidelijke kaders en benodigde gegevens en zonder de nodige begeleiding. Dat daarnaast sprake was van een disfunctionerende leidinggevende, wordt ondersteund door verklaringen in het dossier. In deze feitelijke gang van zaken ziet de Raad voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de werkomstandigheden een buitensporig karakter hadden. Op grond van de onder 4.5 vermelde rechtspraak moet in dit geval worden uitgegaan van de vooronderstelling dat de psychische arbeidsongeschiktheid van appellante zijn oorzaak vindt in de buitensporige werkomstandigheden, tenzij daarvoor op grond van medische gegevens een evident andere oorzaak is aan te wijzen. Het dagelijks bestuur is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er een evident andere oorzaak voor de psychische arbeidsongeschiktheid van appellante is aan te wijzen. Nu moet worden aangenomen dat tussen de buitensporige werkomstandigheden van appellante en de psychische arbeidsongeschiktheid een causaal verband bestaat, is bij appellante sprake van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst als bedoeld in artikel 7:1 van de CAR/UWO. Hieruit volgt dat appellante recht heeft op een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 7:5, eerste lid, van de CAR/UWO. Besluitvorming over de aanvullende uitkering door het dagelijks bestuur moet nog plaatsvinden. Uit 4.1 tot en met 4.13 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 28 september 2018 te herroepen en te bepalen dat bij appellante sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellante.
De uitspraak op rechtspraak.nl