CRvB 18 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:625
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat dat zou moeten leiden tot een andere wijze van vaststelling van het inkomen van appellante. Ook wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij in 2014 teveel uitkering ontving. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. De omstandigheid dat appellante zich genoodzaakt heeft gevoeld om naast haar werkzaamheden als zelfstandige ook werkzaamheden in loondienst te accepteren is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het volgen van de voorschriften als neergelegd in artikel 4:1 van het AIB leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl