CRvB 9 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:506
Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant in de intrekkingsperiode zijn woonplaats niet meer in gemeente Utrecht had. Anders dan het college heeft betoogd, biedt de verklaring van appellant dat hij vijf à zes dagen per week op adres X te Bunnik verblijft, op zichzelf noch in samenhang bezien met de omstandigheid dat appellant zijn huisarts in de gemeente Wijk bij Duurstede had, daarvoor een toereikende feitelijke grondslag. Uit deze gegevens kan niet worden afgeleid dat het centrum van het maatschappelijk leven van appellant zich in de periode in geding, die ruim twee weken heeft geduurd, buiten de gemeente Utrecht bevond en ook niet dat appellant zijn woonplaats in die gemeente heeft willen prijsgeven. Het college heeft onvoldoende relevante aspecten van het maatschappelijk leven van appellant onderzocht. Het motiveringsgebrek kan echter worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb. Uit de verklaring van appellant volgt dat appellant in de te beoordelen periode geen zwervende dakloze te Utrecht was. Hij beschikte immers over een vast verblijfadres buiten deze gemeente.
De uitspraak op rechtspraak.nl