CRvB 19 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2892
Niet blijkt dat appellante niet bij machte was haar financiële belangen te (laten) behartigen. Er is daarom geen sprake van een situatie die vergelijkbaar is met de door appellante aangehaalde uitspraken van 8 mei 2015 en 18 december 2015. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het Uwv zijn beleid in zoverre op consistente wijze heeft toegepast door de Wajonguitkering met terugwerkende kracht te herzien en appellante alsnog in aanmerking te brengen voor inkomensondersteuning op grond van de studieregeling in plaats van de werkregeling. Door de begindatum van deze herziening op 1 januari 2017 te stellen, terwijl appellante al vanaf 9 september 2015 studeerde en vanaf november 2015 studiefinanciering ontving, is appellante niet tekort gedaan. Niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.
De uitspraak op rechtspraak.nl