CRvB 19 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2850

De minister heeft appellant terecht vrijgesteld van werkzaamheden totdat een gesprek heeft plaatsgevonden. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom hij van het advies van de commissie is afgeweken. Artikel 33e van het ARAR bepaalt dat buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van volle bezoldiging, kan worden verleend in de gevallen, waarin hij, die tot het verlenen van dat verlof bevoegd is verklaard, oordeelt, dat daartoe aanleiding bestaat. Uit de e-mailwisseling tussen de gemachtigde van appellant en de minister volgt dat is geprobeerd om kort na het besluit van 15 februari 2019 een gesprek te plannen maar dat dit (mede) niet is gelukt omdat appellant aan een gesprek voorwaarden verbond, dat hij – voor zover het voor hem niet mogelijk zou zijn om bij het [onderdeel] te blijven werken – de toezegging van de minister zou krijgen dat hij met onmiddellijke ingang zijn oorspronkelijke functie bij [centrum 1] op de oorspronkelijke locatie zou mogen uitoefenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken