CRvB 13 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2519
Het besluit van 7 juli 2019 bevat ten aanzien van de toekenning en het verbruik van de reisvoorziening over de maanden april en mei 2019 geen enkele mededeling, overweging of besluit en behoefde deze gelet op de aanvraag ook niet te bevatten. Wat betreft de maanden april en mei 2019 bevat dit besluit dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en is derhalve voor wat betreft deze maanden niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Het incidenteel hoger beroep slaagt. Dat betekent dat aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar van appellant niet wordt toegekomen en dus ook niet aan een bespreking van het, door appellant aangevochten, oordeel van de rechtbank daarover. Vernietiging aangevallen uitspraak. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl