CRvB 29 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1873
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de korpschef de verzoeken van betrokkenen ten onrechte heeft aangemerkt als verzoeken om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit. Anders dan de korpschef heeft betoogd, kan de in de besluiten van 17 december 2012 opgenomen bepaling dat de tewerkstelling plaatsvindt met behoud van de huidige rechtspositie niet worden aangemerkt als een (impliciete) weigering om aan betrokkenen een waarnemingstoelage toe te kennen. De korpschef heeft nog gesteld dat de vacaturetekst van de functie [functie 3] B ( [project] ) die betrokkenen hebben overgelegd bij het verzoek om plaatsing in die functie ook de vacaturetekst is waarop zij in 2012/2013 hebben gereageerd. Volgens de korpschef was op grond hiervan duidelijk dat aan de door betrokkenen sinds 2013 uitgeoefende werkzaamheden een hogere salarisschaal was verbonden. Naar het oordeel van de Raad heeft de korpschef dit niet aannemelijk gemaakt. De vacaturetekst is ongedateerd en bovendien is de stelling van de korpschef niet te rijmen met het gegeven dat de werkzaamheden van betrokkenen pas per 1 januari 2018 zijn ondergebracht en gewaardeerd in de functie van [functie 3] B ( [project] ). Gelet op het voorgaande was er geen grond voor afdoening van de verzoeken met toepassing van artikel 4:6 van de Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl