CRvB 21 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1847
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een voor hem gunstig oordeel. Appellant heeft niet betwist dat hij in de 6 jaren voorafgaand aan zijn inschrijving als student aan de [Universiteit] niet in Nederland heeft gewoond en geen gebruik heeft gemaakt van het door de artikelen 20 en 21 van het VWEU gewaarborgde recht om zich binnen de EU te verplaatsen. Verder kan appellant zich niet met succes beroepen op de ‘Beleidsregel meeneembare studiefinanciering hoger onderwijs’ van 18 november 2016, omdat de minister het toepassingsbereik van deze beleidsregel heeft beperkt tot studenten die gebruik hebben gemaakt van het door artikel 21 van het VWEU gewaarborgde recht om zich binnen de EU te verplaatsen. Het onderscheid dat voor de toepassing van de Wsf 2000 wordt gemaakt tussen, aan de ene kant, Unieburgers die ofwel voldoen aan het 3-uit-6-vereiste ofwel gebruik hebben gemaakt van een door het VWEU gewaarborgd recht op vrij verkeer en, aan de andere kant, Unieburgers die niet voldoen aan het 3-uit-6-vereiste en geen gebruik hebben gemaakt van een door het VWEU gewaarborgd recht op vrij verkeer, wordt gerechtvaardigd door de wens van de nationale wetgever om, met inachtneming van de grenzen van het Unierecht, de omvang van de groep studenten die in aanmerking kan komen voor meeneembare Nederlandse studiefinanciering te beperken tot studenten die een actuele band met Nederland hebben.4 Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU ziet de Raad geen aanleiding. Ten slotte passeert de Raad de stelling van appellant dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom hij in het specifieke geval van appellant niet met toepassing van de hardheidsclausule is afgeweken van het 3-uit-6-vereiste. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl