CRvB 1 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1844
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij haar verblijf in Zweden moest melden. Verder blijkt uit het dossier dat appellante op 28 april 2017 twee keer contact heeft gezocht met het KCC van het Uwv. Het verzoek van appellante om de KCC-medewerkers als getuigen te horen, heeft de Raad afgewezen. De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat zij door het Uwv onjuist is geïnformeerd of op het verkeerde been is gezet en dat zij daardoor niet wist dat zij haar verblijf in Zweden moest melden. Nu appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Uwv haar verkeerde of onvolledige informatie heeft gegeven, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat haar verblijf in Zweden relevant was en zij ten onrechte tijdens dit verblijf in Zweden een WW-uitkering kreeg. Het Uwv was verplicht de WW-uitkering van appellante te herzien en de teveel betaalde uitkering van haar terug te vorderen. Tegen het bedrag van de terugvordering heeft appellante geen gronden aangevoerd, zodat wordt geconcludeerd dat de teveel uitbetaalde WW-uitkering terecht in zijn geheel is teruggevorderd. Uit het voorgaande volgt dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat haar hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Het Uwv is daarom verplicht appellante een boete op te leggen. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat er geen concrete feiten of omstandigheden zijn om de boete verder te matigen. Tegen het bedrag van de boete heeft appellante ook in hoger beroep geen specifieke gronden aangevoerd. Gelet op alle feiten en omstandigheden stelt de Raad vast dat appellante niet eerder dan op 16 november 2017 het centrum van haar belangen en dus haar woonplaats naar Zweden heeft verplaatst. Van fraude of misbruik van het Unierecht is mede om die reden geen sprake. De Raad is ook overigens niet gebleken dat appellante door haar handelen of nalaten het oogmerk heeft gehad om door misbruik van het Unierecht een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen. Appellante heeft op 30 oktober 2017 aan het Uwv (het bevoegde orgaan) gemeld dat zij vanaf 1 december 2017 met behoud van haar WW-uitkering in Zweden naar werk wilde zoeken. Op 24 november 2017 heeft het Uwv appellante een U2-formulier toegestuurd waarmee zij zich bij het Zweedse orgaan kon inschrijven als werkzoekende. Hieruit volgt dat appellante aan het vereiste heeft voldaan dat zij het Uwv voor de datum van vertrek in kennis heeft gesteld van haar voornemen om in een andere lidstaat naar werk te zoeken en daarbij ook om een U2-document heeft verzocht. Wel is het zo dat appellante door haar vertrek op 16 november 2017 niet meer ter beschikking stond van de diensten voor arbeidsvoorziening in Nederland. Gelet op wat hiervoor is overwogen moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 14 juni 2018 vernietigen voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2018 ongegrond is verklaard. Het besluit van 16 januari 2018 tot intrekking van de export van de WW-uitkering wordt herroepen. De besluiten tot herziening, de terugvordering en de boete blijven in stand. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.
De uitspraak op rechtspraak.nl