CRvB 17 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1442

De afwijzing van de aanvraag van appellante houdt in rechte stand. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 10 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3156, ECLI:NL:CRVB:2020:3157 en ECLI:NL:CRVB:2020:3534. Appellante heeft, na schriftelijk gewezen te zijn op deze uitspraken, aangevoerd dat in die zaken geen sprake was van een waarnemingstoelage. Naar het oordeel van de Raad is de omstandigheid van een waarnemingstoelage niet voldoende om te concluderen dat aan de voorwaarden voor toepassing van de RAAF is voldaan. Uit de toetsing van de feitelijke werkzaamheden van appellante is namelijk niet gebleken dat zij de kern van de gevraagde LFNP-functie uitoefent. Ook kon en mocht zij uit de waarnemingsbesluiten redelijkerwijs niet afleiden dat de korpschef haar in het kader van de RAAF zonder meer zou plaatsen in de functie van Gespecialiseerd Medewerker A. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken