CRvB 10 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1408
Niet in geschil is dat als gevolg van de arbeidsinkomsten van appellante de Wajonguitkering van 1 november 2013 tot en met 31 oktober 2014 tot een te hoog bedrag is uitbetaald. De grond van appellante dat het voor haar redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat zij een te hoog bedrag aan Wajong-uitkering ontving, slaagt niet. Vanwege het feit dat appellante over deze periode zowel salaris als Wajong-uitkering heeft ontvangen, had het haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de Wajong-uitkering tot een te hoog bedrag werd uitbetaald. Appellante heeft haar werkzaamheden en inkomsten aan het Uwv doorgegeven. Dit wijst er ook op dat het appellante duidelijk was dat het ontvangen van inkomsten gevolgen voor haar Wajong uitkering kon hebben. Het Uwv heeft de te veel betaalde Wajong-uitkering daarom terecht van appellante teruggevorderd. De grond van appellante dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, slaagt ook niet. De grond van appellante dat het Uwv ten onrechte bruto uitkering heeft teruggevorderd, slaagt evenmin. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl