CRvB 5 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:641
Gelet op het vonnis van de militaire politierechter, dat mede is gebaseerd op een door N onder ede afgelegde verklaring, kan de Raad in dit geval niet, zonder twijfel te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat betrokkene in de strafzaak werd verweten en dus zonder in strijd te handelen met artikel 6, tweede lid, van het EVRM, tot het oordeel komen dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat betrokkene zich aan de hem verweten gedraging schuldig heeft gemaakt. Daarbij is mede van belang dat namens de staatsecretaris ter zitting desgevraagd is verklaard dat, indien de lezing van betrokkene en N zou worden gevolgd, ontslag wegens wangedrag niet aan de orde zou zijn. Hieruit moet worden afgeleid dat het onder 1.3 vermelde beleid weliswaar niet opzet als vereiste stelt, maar dat ontslag wegens wangedrag in een geval als dit niet aan de orde is als de betrokken militair feitelijk geen bemoeienis heeft gehad met de aanwezigheid van de harddrugs en daarvan geen wetenschap had. In dit verband verwijst de Raad ook naar zijn uitspraak van 22 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:921.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2399
- CRvB 22 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:921
- HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:958
- EHRM 28 maart 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0328JUD004502807
- EHRM 18 oktober 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD002110707
- EHRM 23 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510
- EHRM 12 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409