CRvB 17 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3212
De Raad heeft op grond van de gedingstukken en wat ter zitting is verklaard de overtuiging gekregen dat appellant het hem verweten plichtsverzuim van de toe-eigening van een elektrometer heeft begaan. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat appellant aan zijn eerst afgelegde verklaringen mag worden gehouden, temeer omdat die steun vinden in de verklaringen van de medewerkers van het installatiebedrijf en medewerkers van BWB. De Raad stelt verder vast dat appellant geen toestemming voor het meenemen van de meters heeft gevraagd aan de projectleider of zijn leidinggevende. Met de rechtbank komt de Raad aan de hand van het samenstel van verklaringen tot de conclusie dat appellant zich de tweede elektrometer, die aan een ander toebehoorde en dus niet zonder toestemming van die ander mocht worden meegenomen, voor privédoeleinden heeft toegeëigend. Dat de meter mogelijk afgedankt was, maakt dit niet anders. Uit de verklaringen en stukken volgt dat het verwijt van het bestuur dat appellant over zijn aanwezigheid in de serverruimte wisselend heeft verklaard en geen openheid heeft betracht terecht is gemaakt. Ook dit levert plichtsverzuim op. Niet is gebleken dat de appellant verweten gedragingen hem niet zijn toe te rekenen. Het bestuur was daarom bevoegd hem een disciplinaire straf op te leggen. Niet kan worden gezegd dat het strafontslag onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.
De uitspraak op rechtspraak.nl