CRvB 3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3053
Appellant wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag door veelvuldig en structureel gebruik te hebben gemaakt van de aan hem ter beschikking gestelde dienstauto voor privédoeleinden. Appellant erkent het privégebruik als zodanig wel. Wat appellant in hoger beroep aanvoert, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij aan zijn beroep bij de rechtbank ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende aan de orde gesteld en gemotiveerd verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag liggende overwegingen en maakt die tot de zijne, met dien verstande dat voor de staatssecretaris dient te worden gelezen de Kroon. Ook in hoger beroep heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in de situatie van de door appellant genoemde collega’s bij [onderdeel 2] sprake was van in relevante mate gelijke gevallen. Daartoe komt met name betekenis toe aan de omstandigheid dat appellant door zijn aanwezigheid bij de bijeenkomst op 25 januari 2017 en gelet op het ook door hem ontvangen verslag van die bijeenkomst op de hoogte was van de regels met betrekking tot het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden. In die zin was hij een gewaarschuwd man. Door niettemin te volharden in het wangedrag door nog ten minste vier niet toegestane ritten voor privédoeleinden te maken, waaronder in een geval hij ook een derde (zijn dochter) heeft vervoerd, onderscheidt de zaak van appellant zich van de gevallen waarnaar hij heeft verwezen. De rechtbank heeft het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel dan ook terecht afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl