CRvB 18 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2876

De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het zorgkantoor de verplichting tot betaling van het pgb heeft kunnen opschorten. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Het zorgkantoor heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de constructie, waarbij appellant bestuurder is van Azorg B.V. en van waaruit ook zorg aan hemzelf wordt geleverd, ongewenst is. Het betoog van appellant dat [Y] het bestreden besluit niet kon bekrachtigen, omdat zij ten tijde van dat besluit geen bestuurder was van het zorgkantoor is feitelijk onjuist. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank het bevoegdheidsgebrek kunnen passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Ten slotte mist het betoog dat de rechtbank een onjuist criterium heeft gehanteerd, feitelijke grondslag. De rechtbank heeft namelijk beoordeeld of een ernstig vermoeden bestond dat het pgb niet is gebruikt waarvoor het is verleend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken