CRvB 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2733

De Raad zal zich beperken tot bespreking van de kern van de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden. Appellante heeft betoogd dat zij ook in en na september 2017 recht heeft op doorbetaling van haar volledige bezoldiging omdat sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. Het criterium dat de Raad in zijn rechtspraak in geval van psychische klachten aanlegt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een beroepsziekte is te grofmazig en zou niet één-op-één van toepassing moeten zijn op haar situatie, aldus appellante. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verder heeft appellante betoogd dat de werkomstandigheden een buitensporig karakter droegen omdat onvoldoende rekening is gehouden met haar belastbaarheid en te hoge eisen aan haar functioneren zijn gesteld. Dit betoog slaagt evenmin. Verder heeft appellante opnieuw betoogd dat de omgang met haar leidinggevenden heeft bijgedragen aan werkomstandigheden van een buitensporig karakter. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat geen omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan kan worden gezegd dat de werksituatie een buitensporig karakter droeg. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak volledig en maakt dat tot het zijne. Hieruit volgt dat niet aannemelijk is dat de ziekte van appellante in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan haar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht. Dit betekent dat de staatssecretaris terecht de korting met 30% op het salaris van appellante heeft toegepast. Het hoger beroep van appellante slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken