CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2607
De Raad stelt voorop dat noch uit de parlementaire geschiedenis van de Wet hervorming kindregelingen, noch uit het debat over het in 4.6 genoemde subamendement, kan worden afgeleid dat de gevolgen van handhaving van (oorspronkelijk) artikel 7a van de AKW per 1 januari 2015 en per 1 september 2015 in alle opzichten volledig zijn overzien. Dit maakt echter nog niet dat sprake is van niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden als bedoeld in het Harmonisatiewetarrest. Niet is gebleken van niet verdisconteerde omstandigheden die zo bijzonder en uitzonderlijk zijn dat strikte toepassing zozeer in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Beroep op artikelen 3 en 27 IVRK slaagt niet. Niet kan worden gezegd dat de Svb zich bij de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van haar zoon. Beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM slaagt evenmin. Appellante heeft onvoldoende onderbouwd dat zij door de besluitvorming daadwerkelijk een onevenredig zware last heeft moeten dragen.
De uitspraak op rechtspraak.nl