CRvB 1 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2337
Maatmanloon. Dagloon. Nabetaling na afloop van de referteperiode. In het geval van appellante dient – voor de vaststelling van het maatmanloon – beoordeeld te worden of wordt voldaan aan de onder het derde gedachtestreepje van het beleid geformuleerde criterium dat sprake is van loon dat in de referteperiode wel vorderbaar, maar niet inbaar is. Hierop is de rechtspraak van toepassing die is ontwikkeld met betrekking tot dit criterium in artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels en artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit voor de bepaling van het dagloon. In het geval van appellante was het loon vorderbaar tijdens de referteperiode, nu vaststaat dat zij op het vanaf november 2014 te weinig betaalde loon ook toen al aanspraak had. Niet is gebleken dat het loon niet inbaar was tijdens de referteperiode. Appellante heeft haar werkgever tijdens de referteperiode niet gemaand tot betaling van dat loon. Dat heeft zij gedaan in mei 2016, na afloop van de referteperiode, en de werkgever heeft het loon toen nabetaald. Het Uwv was daarom niet gehouden om de nabetaling bij de berekening van het maatmanloon en het dagloon te betrekken. Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Uwv van het beleid met betrekking tot artikel 7a, vijfde lid, van het Sb had moeten afwijken.
De uitspraak op rechtspraak.nl