CRvB 21 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1963
Tussenuitspraak. De Raad stelt allereerst vast dat beide co-ouders belang hebben bij een beslissing van de Svb op een verzoek van een van de ouders om te worden aangemerkt als ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald. De Svb baseert zijn vaste praktijk op artikel 10 van het Buk. Het Buk is tot stand gekomen op grond van (onder meer) artikel 18 van de AKW. De vaste praktijk van de Svb heeft daarmee – anders dan de Svb veronderstelt – niet het karakter van buitenwettelijk, begunstigend beleid. In dit geval moet de Raad ook toetsen of de gehanteerde gedragslijn redelijk is en of er een grond is om in het voorliggende geval hiervan af te wijken. Naar het oordeel van de Raad is de genoemde vaste praktijk als invulling van artikel 10 van het Buk niet zonder meer redelijk. Uit het voorgaande blijkt dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en evenmin toereikend is gemotiveerd. De Svb moet nader onderzoeken wat er aan in de weg staat om appellante vanaf het vierde kwartaal van 2017 alsnog voor één of meer van de kinderen aan te merken als co-ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald, en om aan het bestreden besluit – als dit besluit wordt gehandhaafd – een nadere belangenafweging en motivering ten grondslag te leggen. Opdracht aan Svb om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, zodat de Raad kan komen tot een finale beslechting van het geschil.
De uitspraak op rechtspraak.nl