CRvB 6 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1767
Voor de inrichting van het vereiste individueel feitenonderzoek naar een beweerdelijk onevenredig zware last, heeft de Svb in de bezwaarfase aansluiting gezocht bij de voorwaarden die zijn opgenomen in de OBR. De Raad onderschrijft het oordeel en de overwegingen van de rechtbank volledig dat de enkele toetsing door de Svb of de aanvrager aan de voorwaarden van de OBR voldoet niet is aan te merken als een deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last. De Svb moet altijd een aanvullend onderzoek verrichten naar de situatie van een aanvrager, indien deze in de bezwaarfase te kennen geeft dat hij door onverkorte toepassing van artikel 7a van de AOW onevenredig zwaar wordt getroffen. Daarvan is volgens de Svb niet gebleken en de Raad sluit zich daarbij aan. Niet in geschil is dat appellant tijdens de periode van zijn AOW-gat van negen maanden een inkomen had van 1,5 keer het sociaal minimum. Dat dit inkomen voor een deel bestond uit een overbruggingssom van zijn lijfrente die appellant eigenlijk pas voor de aanvulling van zijn AOW-pensioen had willen gebruiken, doet hieraan niet af. Buiten kijf staat dat de verhoging van de AOW-leeftijd grote financiële gevolgen heeft gehad voor appellant, nu hij een AOW-gat heeft van negen maanden en gedurende die periode zijn lasten hoger waren dan zijn inkomsten. Bij appellant heeft echter geen terugval in inkomen plaatsgevonden als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de situatie van appellant tijdens het AOW-gat dermate schrijnend was dat in zijn geval sprake was van een onevenredig zware last.
De uitspraak op rechtspraak.nl