CRvB 16 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1512
Verzocht om een aanvullende vergoeding op grond van artikel 60b van het AMAR voor de beperking van de bewegingsvrijheid vanaf mei 2017 terecht afgewezen. Voor de door de commandant voorgestane strikte uitleg van de van toepassing zijnde artikelen is naar het oordeel van de Raad temeer reden nu het vergoedingenstelsel voor beperkingen in de bewegingsvrijheid, consignatie en overwerk zoals vastgelegd in de VROB een getrapt karakter kent, waarbij een toenemende beperking een toenemende vergoeding kent. Uitgangspunt is dat de meest gepaste consignatievorm wordt gekozen, maar dat vergoedingen niet gecombineerd kunnen worden. De commandant stelt zich terecht op het standpunt dat het beroep dat op appellant werd gedaan niet voortvloeide uit de taakstelling van de krijgsmacht, zodat ook om die reden artikel 60b van het AMAR niet van toepassing is. Dat deze consignatie door appellant is ervaren als een ernstige beperking in zijn bewegingsvrijheid leidt niet tot een ander oordeel, omdat de subjectieve beleving van appellant hierin geen rol mag spelen.
De uitspraak op rechtspraak.nl