CRvB 18 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4166

De Raad onderschrijft in hoofdlijnen de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Uit de Wsf 2000 volgt dat, indien ook aan de overige voorwaarden van artikel 2.1 van de Wsf 2000 wordt voldaan, een recht op studiefinanciering voor een opleiding in het buitenland ontstaat wanneer een student is ingeschreven voor het volgen van voltijds onderwijs. Inschrijving is een wettelijk begrip, ontleend aan artikel 7.32 van de WHW. Inschrijving brengt onder meer mee, dat een recht op het volgen van onderwijs en het afleggen van tentamens ontstaat. Voor de studie van appellant in België geldt dat het recht op het volgen van onderwijs en het afleggen van tentamens eerst ontstaat als er studiepunten worden opgenomen. In die zin is, vertaald naar het Nederlandse systeem, de ‘inschrijving’ van appellant eerder te zien als ‘aanmelding’ in de zin van artikel 7.31a en verder van de WHW dan als inschrijving in de zin van artikel 7.32 van de WHW. Zonder inzet van studiepunten heeft appellant dan ook niet voldaan aan de uit de artikelen 2.8 en 2.14 voortvloeiende voorwaarden voor toekenning van studiefinanciering. Hoger beroep slaagt niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken