CRvB 3 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2371
Aangevallen uitspraak 1. Schending inlichtingenverplichting. Op grond van artikel 36, vierde lid, van de WW is een aflossingstermijn van tien jaar van toepassing. Appellant voldeed niet aan de voorwaarden van de artikel 36 van de WW om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Beroep op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. Aangevallen uitspraak 2. Geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen dan de rechtbank en diens oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Vermogen in de zin van de Regeling is aanwezig. Vaststaat dat appellant de vordering niet binnen een termijn van twaalf maanden kan voldoen. Op grond van het bepaalde in artikel 4, vierde lid, van de Regeling dient in een dergelijke situatie de schuldenaar zijn vermogen aan te wenden en de vordering binnen twaalf maanden te voldoen. Appellant heeft zijn stelling niet onderbouwd. Beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl