CRvB 10 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:96
Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Werkzaamheden als zelfstandige. Het primaire standpunt dat het Uwv op goede gronden heeft besloten – met toepassing van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW – tot intrekking van de uitkering wegens de omstandigheid dat het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting in artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een uitkering, houdt geen stand. Het subsidiaire standpunt, namelijk dat op goede grond tot intrekking van de WW-uitkering is besloten wegens de omstandigheid dat het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting in artikel 25 van de WW ertoe heeft geleid dat niet kan worden vastgesteld of er nog recht op uitkering bestaat, zoals bedoeld in artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW, wordt door de Raad onderschreven. Geen afschrift van administratie overgelegd. Dit betekent eveneens dat de door appellant verstrekte gegevens niet verifieerbaar zijn. Onvoldoende aanknopingspunten om tot een beredeneerde schatting van de door appellant daadwerkelijk gewerkte dagen en uren te kunnen komen. Het Uwv heeft zich in deze situatie terecht op het standpunt gesteld dat het recht op WW-uitkering over de periode van 3 januari 2011 tot en met 2 september 2013 niet kan worden vastgesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl