CRvB 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2296

Appellante heeft per 1 augustus 2014 niet langer de hoedanigheid van werknemer behouden als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellantes recht op WW-uitkering op 1 augustus 2014 is geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de WW. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de WW-uitkering van appellante over de periode van 1 augustus 2013 tot en met 8 juni 2014 in te trekken en terug te vorderen. Geen dringende reden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken