CRvB 19 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3741
De Raad komt, in het licht van de onder 4.3 genoemde rechtspraak, tot het oordeel dat de door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep geuite verwachting dat voor de langere termijn een verbetering van de functionele mogelijkheden te verwachten is, niet berust op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij appellante aan de orde zijn. Anders dan het Uwv stelt ligt een zodanige motivering niet besloten in het rapport van deskundige Erwteman, aangezien deze in zijn rapport van 4 maart 2018 slechts constateert dat appellante te kennen heeft gegeven dat er de laatste tijd sprake is van een geringe verbetering van de klachten door het gebruik van een lage dosering antidepressiva. Uit dit rapport volgt niet dat op de in geding zijnde data van 2 januari 2012 en 1 november 2013 sprake was van een behandelmogelijkheid met een concrete verwachting dat die na langere tijd tot verbetering van de functionele mogelijkheden kan leiden. Dit volgt evenmin uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 januari 2015, waarin deze stelt dat voor de langere termijn door een multidisciplinaire aanpak ingeslepen cognities kunnen worden behandeld, de psychische toestand van appellante kan verbeteren door evaluatie van medicatie en psychotherapie en een gespecialiseerd fysiotherapeutisch team de algehele conditie van appellante zou kunnen verbeteren. Deze motivering die, evenals in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 april 2018, uitsluitend lijkt te zien op de bij appellante aanwezige aandoening ME/CVS, miskent de aard en de complexiteit van het ziektebeeld van appellante waarbij naast ME/CVS tevens sprake is van POTS, welke laatste aandoening volgens de deskundige een belangrijke factor vormt in de zeer ernstige beperkingen van appellante.
De uitspraak op rechtspraak.nl