CRvB 9 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3885
Onvoldoende functioneren. Het had appellant na het eindgesprek op 11 maart 2015 en in ieder geval na het gesprek op 3 april 2015 voldoende duidelijk kunnen dan wel behoren te zijn waar het in zijn functioneren aan schortte. Appellant wist dus vanaf het begin van de beoordelingsperiode waaraan hij moest werken. Dat het gesprek van 3 april 2015 gehouden is door W, die op dat moment niet de functionele chef van appellant was, brengt niet mee dat wat daar is besproken buiten beschouwing moet blijven, zoals appellant heeft betoogd. Nu het functioneringsgesprek van 17 december 2015 in lijn is met wat op 3 april 2015 met appellant is besproken, is er geen grond voor het oordeel dat de commandant had moeten afzien van het opmaken van een beoordeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl