CRvB 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2865

De al voor het intreden van werkloosheid op 1 oktober 2015 ontvangen periodieke pensioenuitkering heeft betrekking op een eerder verlies van arbeidsuren van 10% van de omvang van de dienstbetrekking, zijnde 3,69 uren per week op 1 augustus 2015. Gelet op de duidelijke tekst van art. 3:5 lid 3 van het AIB is daarmee voldaan aan de voorwaarde dat het voor het intreden van de werkloosheid ontvangen prepensioen betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. Er is geen aanleiding de in de uitzonderingsbepaling van art. 3:5 van het AIB opgenomen zinsnede “eerder verlies van arbeidsuren” uit te leggen in die zin dat het GAA van de WW-uitkering in het geheel niet beïnvloed mag zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het prepensioen is ontstaan. De tekst van art. 34 van de WW, noch de tekst van art. 3:5 van het AIB en de nota’s van toelichting daarbij (Stb. 2012, 79, blz. 39 e.v. en Stb. 2015, 43, blz. 17-18) bieden daartoe aanleiding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken