CRvB 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2462

Vaststellingsovereenkomst. Hoogte dagloon. Overuren in referteperiode. Niet is gebleken dat appellant werkgeefster tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze heeft gemaand om de 77,6 overuren te betalen. Niet valt in te zien waarom appellant werkgeefster niet eerder had kunnen manen tot betaling van de 77,6 overuren over de periode van non-actiefstelling over de maanden september en oktober 2014. De omstandigheid dat hij in onzekerheid verkeerde over zijn rechten komt voor zijn rekening en risico en staat ook niet in de weg aan het manen van werkgeefster tot betaling van deze overuren. Tegen die achtergrond duidt de enkele omstandigheid, dat appellant en werkgeefster op 28 november 2014 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten over onder meer de uitbetaling van de 77,6 overuren, niet op een situatie van niet-inbaarheid tijdens de referteperiode (zie de hiervoor genoemde uitspraak van 8 mei 2013). Hieruit blijkt juist de wil van werkgeefster om de overuren te betalen. De omstandigheid dat partijen pas na de loonbetaling op 27 november 2014 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, betekent nog niet dat er niet had kunnen worden betaald voor 1 december 2014 en daarmee in de referteperiode. Dat het vorderbare loon niet tevens inbaar was in de referteperiode is dan ook niet gebleken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken