CRvB 22 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2185
Het geschil spitst zich toe op de vraag of partijen met de vaststellingsovereenkomst hebben bedoeld appellant van de verplichting van artikel 49g van het ARAR te ontheffen. Met de rechtbank en betrokkene beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. Terecht oordeel rechtbank dat hij niet bevoegd was om betrokkene te ontslaan. Beroep van betrokkene tegen het nader besluit is ongegrond. Met de rechtbank van oordeel dat appellant voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat betrokkene niet beschikte over noodzakelijke kennis en kunde voor [functie c] op[afdeling c. Bezwaar tegen besluit 4 is op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Tijdens herplaatsingstermijn wordt geen verlof opgebouwd.
De uitspraak op rechtspraak.nl