CRvB 3 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1755
Artikel 40, eerste lid, WAO, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 juli 2013 en weergegeven in 4.1.4, is door Uwv naar de letter correct toegepast. Op grond van artikel 19aa van de WAO is uit de werkzaamheden van appellante bij [naam B.V.] geen tweede recht op een WAO-uitkering ontstaan. Toepassing van het voor 1 juli 2013 geldende artikel 40, eerste lid, WAO (zie 4.1.1) zou hebben geleid tot een hogere WAO-uitkering dan nu door het Uwv vastgesteld. Van ontneming van een bestaand recht op een hogere WAO-uitkering was op moment van inwerkingtreding van artikel 40, eerste lid, WAO op 1 juli 2013, geen sprake. Evenmin had appellante op 1 juli 2013 een legitieme verwachting voor de toekomst, onvoldoende concreet om aan te merken als een gerechtvaardigde verwachting. Artikel 40, eerste lid, van de WAO, zoals dit luidt sinds 1 juli 2013, is dan ook niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol.
De uitspraak op rechtspraak.nl