CRvB 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3878

Beroep op verboden onderscheid in verband met beperkingen van uitzondering op de toepassing van de kostendelersnorm: Appellante woont samen met haar minderjarig kind in bij haar ouders en meerderjarige broer op basis van een kostgangersovereenkomst met haar moeder. Bij toepassing van de kostendelersnorm voor appellante is rekening gehouden met drie kosten delende medebewoners. Omdat appellante met haar moeder een kostgangersovereenkomst heeft gesloten is de uitzondering op de toepassing van de kostendelersnorm niet op appellante van toepassing. De in artikel 26 van het IVBPR opgenomen discriminatieverboden zijn in hoofdzaak gelijk aan discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM. Zo al kan worden aangenomen dat sprake is van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen bestaat hiervoor een objectieve rechtvaardiging en is het een proportioneel middel. Vanwege fraudegevoeligheid en het tegengaan van schijnconstructies in de sfeer van familierelaties heeft de wetgever een zuiver zakelijke relatie tussen de belanghebbende en een medebewoner in de eerste-of tweedegraad bloedverwantschap buiten de uitzondering op de kostendelersnorm gehouden. Dit is te begrijpen vanuit de gedachte dat een dergelijk nauwe familieband een vaststaand gegeven is en in overwegende mate de totstandkoming, inhoud en naleving van het (onder)huur of kostgangersovereenkomst bepaalt zodat geen sprake meer kan zijn van een zuiver, zakelijke relatie. De beperking van de in artikel 22a, lid 4 onder b, van de PW opgenomen uitzonderingen is niet in strijd met het discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken