CRvB 31 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2357
De Raad heeft uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie afgeleid dat bij de beoordeling van de integratiebanden van de studente met Nederland ook de omstandigheid dat haar vader als migrerend werknemer en/of grensarbeider in Nederland werkzaam is geweest op grond waarvan de studente recht heeft gehad op meeneembare studiefinanciering moet worden betrokken. Volgens de minister kunnen in dit geval ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de beëindiging van de studie een rol spelen. De Raad weegt die dan ook mee en komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de banden van de studente met Nederland van zodanige aard en omvang zijn dat ondanks dat zij niet voldoet aan de drie uit zes-eis zij niet kan worden uitgesloten van het recht op meeneembare-studiefinanciering. De minister moet een nieuw besluit nemen, omdat de minister niet alleen ten onrechte van de studente studiefinanciering heeft teruggevorderd maar de studente ook ten onrechte een periode studiefinanciering heeft onthouden. Als de studente het met dit nieuwe besluit niet eens is, zal de Raad dat nieuwe besluit op een later moment beoordelen en einduitspraak doen.
De uitspraak op rechtspraak.nl