CRvB 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1248
1) Afwijzing aanvraag bijstand ingevolge de Bbz. Niet voldaan aan het urencriterium. Met ingang van 1 augustus 2004 is de Wet einde toegang verzekering WAZ in werking getreden. Als gevolg hiervan kon een belanghebbende nog slechts in aanmerking komen voor een WAZ-uitkering indien sprake was van een voor 1 augustus 2004 aangevangen arbeidsongeschiktheid, die daarna onafgebroken 52 weken heeft voortgeduurd en na afloop van die periode nog bestaat. Gelet op de wachttijd van één jaar betekent dit dat uiterlijk tot 1 augustus 2005 een beroep kon worden gedaan op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van het Bbz. Hieruit volgt dat artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van het Bbz thans een loze bepaling is en dat het beroep van appellant op deze bepaling daarom niet slaagt. 2) Afwijzing aanvraag uitkering ingevolge de IOAZ. Niet voldaan aan het urencriterium, zodat appellant ten tijde van de aanvraag geen oudere gewezen zelfstandige was en dus niet behoort tot de kring van rechthebbenden van de IOAZ. Het dagelijks bestuur heeft in navolging van het advies van FBA vervolgens gekeken of appellant alsnog in aanmerking zou kunnen komen voor een uitkering ingevolge de IOAZ als het jaar waarin appellant nog wel voldeed aan het urencriterium tot uitgangspunt wordt genomen. Hiermee heeft het dagelijks bestuur onverplicht toepassing willen geven aan de wettelijke bepalingen, die sinds 29 december 2005 geen gelding meer hebben. Nu dit niet berust op een beleidsregel of een vaste gedragslijn van het dagelijks bestuur, moet dit worden gezien als een onverplichte, coulancehalve beoordeling die zich aan een rechterlijk oordeel onttrekt.
De uitspraak op rechtspraak.nl