CRvB 4 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2918
Tussenuitspraak. De Raad acht de opdracht tot het beëindigen van de vervangende werkzaamheden niet redelijk. Appellante heeft er terecht op gewezen dat zij zich uitdrukkelijk bereid heeft verklaard om deze werkzaamheden te blijven verrichten, totdat zij zou worden overgedragen aan DCR. Voorts is van betekenis dat het verrichten van de vervangende werkzaamheden voor appellante niet stresserend is gebleken en dat appellante zich feitelijk nog bevond op de plek waar zij de vervangende werkzaamheden tot voor kort had verricht, te weten in de bibliotheek. Er was dan ook geen goede reden om appellante het (wederom) verrichten van die werkzaamheden te onthouden en haar tot aan de plaatsing bij DCR naar huis te sturen. De commandant heeft daartoe niet in redelijkheid kunnen besluiten, zodat het bestreden besluit in zoverre geen stand kan houden. Nieuwe beslissing op bezwaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl