CRvB 18 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1015
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb moet worden aangemerkt als vermogen in de zin van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. De dwangsom van € 1.260,- is aan betrokkene betaalbaar gesteld en heeft betrekking op de periode van 9 mei 2011 tot en met 19 juni 2011, over welke periode het college betrokkene algemene bijstand heeft verleend. In het tweede lid van artikel 34 van de WWB is de dwangsom niet van het vermogen uitgezonderd. Tussen partijen is niet in geschil dat de toegekende dwangsom er niet toe heeft geleid dat betrokkene is gaan beschikken over een vermogen dat de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt. Deze dwangsom staat daarom aan een ongewijzigde voortzetting van de bijstand aan betrokkene niet in de weg.
De uitspraak op rechtspraak.nl