CRvB 2 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8769

Tussenuitspraak. Appellant was ten tijde van de in dit verband relevante verergering van zijn causale klachten nog aangewezen op inkomen uit arbeid in bedrijf of beroep. Zijn leeftijd kan daaraan niet afdoen, te minder nu bedoelde aangewezenheid ook in 2008, toen appellant de leeftijd van 65 jaren al ruim was gepasseerd, feitelijk nog is aangenomen. Dat appellant niettemin niet eerder dan in 2010 een hernieuwde aanvraag om een periodieke uitkering heeft ingediend, kan, als gezegd, worden verklaard uit de toen nog lopende beroepsprocedure, en is, gelet op de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, op zichzelf beschouwd geenszins doorslaggevend. Een en ander betekent dat verweerder de grondslagbepaling ten onrechte heeft uitgevoerd aan de hand van artikel 8, vijfde lid, van de Wuv in plaats van met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wuv. De Raad ziet aanleiding verweerder opdracht te geven dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen