CRvB 2 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5696
Betrokkenen hebben een WAO-uitkering. Aan hen is een toeslag ingevolge de TW toegekend. Betrokkenen hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit en zijn teruggekeerd naar Turkije. Hun toeslagen zijn afgebouwd en vanaf een datum in mei/juni 2006 dan wel 1 januari 2009 geheel beëindigd. Partijen verschillen erover van mening welke betekenis voor de voorliggende zaken aan het arrest Akdas e.a. (26 mei 2011, C-485/07) moet worden gehecht. Betrokkenen hebben zich op het standpunt gesteld dat het hebben van een dubbele nationaliteit niet zonder meer betekent dat rechten die zijn verkregen op grond van het associatierecht, verloren zijn gegaan. In het licht van het arrest van het Hof van 29 maart 2012, Kahveci en Inan, C7/10 en C9/10, LJN: BW3608, hebben zij betoogd dat betrokkenen niet slechter af mogen zijn door het eveneens beschikken over de Nederlandse nationaliteit. Partijen verschillen er voorts over van mening met ingang van welke datum de toeslag van betrokkenen kan worden beëindigd in geval van toepasselijkheid van art. 59 van het Aanvullende Protocol. De CRvB ziet aanleiding het Hof prejudiciële vragen voor te leggen: 1. Moet art. 6, lid 1 van Besluit 3/80 met inachtneming van art. 59 van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals art. 4a van de TW, die de op grond van de nationale wetgeving toegekende aanvullende prestatie intrekt als de begunstigden van deze prestatie niet meer op het grondgebied van deze staat wonen, ook indien deze begunstigden, onder behoud van de Turkse nationaliteit, de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst hebben verkregen? 2. Indien het Hof bij de beantwoording van de eerste vraag tot het oordeel komt dat betrokkenen zich kunnen beroepen op art. 6, lid 1 van Besluit 3/80, maar dat dit beroep wordt beperkt door de werking van art. 59 van het Aanvullend Protocol: moet art. 59 van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen voortzetting van de aanvullende prestatie van Turkse onderdanen als betrokkenen met ingang van het moment waarop onderdanen van de Unie op grond van het recht van de Unie daarop geen aanspraak meer kunnen maken, ook indien onderdanen van de Unie bedoelde prestatie op grond van het nationale recht gedurende langere tijd behielden?
De uitspraak op rechtspraak.nl