CRvB 6 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3433

Betrokkenen zijn in aanmerking gebracht voor deeltijd-WW. Appellant heeft de WW-uitkeringen van betrokkenen met terugwerkende kracht ingetrokken. Volgens appellant is uit door werkgeefster van deze betrokkenen verstrekte urenopgaven gebleken dat betrokkenen geen arbeidsurenverlies hebben geleden van ten minste vijf uur per week. Raad: Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de Rb. terecht heeft geoordeeld dat ten aanzien van betrokkenen art. 4, lid 1 van de Beleidsregels van toepassing is. Voorop wordt gesteld dat het uitgangspunt is van art. 4:84 Awb dat een bestuursorgaan in door een beleidsregel voorziene gevallen niet van die beleidsregel afwijkt. Voor situaties waarin geen sprake is van toedoen van de verzekerde, waaronder begrepen niet-nakoming van de verplichting om inlichtingen te verstrekken of medewerking te verlenen, bevat art. 4, lid 1 van de Beleidsregels een uitzondering op de hoofdregel dat een uitkering wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop niet langer recht op de uitkering bestaat. Aan deze bepaling ligt onder meer de notie ten grondslag dat een uitkering niet met terugwerkende kracht wordt ingetrokken in de situatie waarin de verzekerde er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat hij op die uitkering recht had. Daarmee wordt een categorale invulling aan het vertrouwensbeginsel ten behoeve van de verzekerde gegeven. Toepassing van art. 4, lid 1 van de Beleidsregels leidt ertoe dat intrekking van een uitkering niet mogelijk is vóór de dag waarop appellant voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat ten onrechte uitkering is verstrekt maar niet later dan de ingangsdatum van schorsing van de uitkering. Het standpunt van appellant dat art. 4, lid 1 van de Beleidsregels niet voor de hier aan de orde zijnde situaties is geschreven, wordt niet gevolgd. Appellant miskent dat deze bepaling juist beoogt het vertrouwen van verzekerden, aan wie een uitkering is toegekend en die mochten menen dat zij daar ook recht op hadden, te beschermen. Voor de toepasselijkheid van de bepaling is de stelling van appellant, dat het werkgeefster van betrokkenen redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat betrokkenen geen recht hadden op deeltijd-WW, wat daarvan ook zij, niet relevant. Behoudens het bepaalde over verrekening met of terugvordering van een andere uitkering in art. 4, lid 2, wordt in de Beleidsregels niets gezegd over de financiële gevolgen van een intrekking en wie wel en wie niet daarvan de lasten zullen dragen. De Rb. heeft gezien vorenstaande terecht geoordeeld dat op betrokkenen art. 4, lid 1 van de Beleidsregels van toepassing is. Appellant heeft niet naar voren gebracht dat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 4:84 Awb die afwijking van art. 4, lid 1 van de Beleidsregels ten nadele van betrokkenen zou kunnen rechtvaardigen. De beslissing van de Rb. om de intrekking van de uitkeringen van betrokkenen te beperken tot de periode vanaf de dag waarop de intrekking aan betrokkenen is meegedeeld tot en met 9 mei 2010, is juist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen