CRvB 27 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2471

Door executoriaal derdenbeslag op de AOW-uitkering van appellant en inning van de bestuursrechtelijke premie komt appellant met zijn inkomen onder de beslagvrije voet. De Raad is van oordeel, zoals ook door Cvz al aangegeven in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift van 28 april 2011, dat deze grond gericht is tegen de wijze waarop Cvz gebruik heeft gemaakt van de in artikel 18e van de Zvw neergelegde bevoegdheid om de bestuursrechtelijke premie te innen. Nu in artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en onderdeel H, onder 4, van de bijlage bij de Awb slechts is bepaald dat tegen een besluit als bedoeld in artikel 18e, eerste lid, van de Zvw geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat voor zover dit ziet op de verschuldigdheid of de hoogte van de bestuursrechtelijke premie, heeft Cvz het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Cvz is niet gehouden bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot inning van de bestuursrechtelijke premie door broninhouding de beslagvrije voet te betrekken. De wetgever heeft op andere wijze voorzien in de waarborg dat een gerechtigde tot een uitkering op minimumniveau, waarop de bestuursrechtelijke premie wordt ingehouden, tenminste kan beschikken over de beslagvrije voet, verminderd met hetgeen reeds in de beslagvrije voet is verdisconteerd voor de kosten van de ziektekostenverzekering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen