CRvB 25 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9660
Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. Appellanten hebben in hoger beroep gesteld dat in verband met de uitspraak van Raad van 15 april 2010, LJN BM3583, een klacht is ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Zij hebben gesteld dat verschillende instanties van de Staat hadden moeten samenwerken ten einde het gezin te herenigen. Als meteen positief zou zijn beslist op de aanvraag van appellanten dan zou het gezin al in juli 2009 zijn herenigd en niet eerst in november 2009. De Raad heeft in zijn uitspraak van 26 oktober 2012, LJN BY3169, geoordeeld over het verzoek om vergoeding van immateriële schade van de moeder wegens het in strijd met artikel 8 EVRM niet verstrekken van maatschappelijke opvang ingevolge de WMO. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de immateriële schade, gelegen in de scheiding van appellanten van hun moeder, aan het college kan worden toegerekend. Tevens is van belang dat de bij het EHRM ingediende klacht naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 15 april 2010, LJN BM3538, door het EHRM, zonder motivering, niet-ontvankelijk is verklaard (zie hierover CRvB 26 oktober 2012, LJN BY3169).
De uitspraak op rechtspraak.nl