CRvB 11 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9325
Weigering bijstanduitkering omdat appellante geen geldige verblijfstitel heeft. In de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, is een onderscheid naar nationaliteit aan de orde dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften. Naar het oordeel van de Raad is in diverse verdragsbepalingen uit het ESH en IVESCR sprake van algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op bijstand valt te ontlenen. Wat betreft art. 8 EVRM, komt aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toe, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene. Appellante kon ten tijde hier in geding slechts een beperkt gezinsleven uitoefenen omdat zij vanwege haar verblijfsstatus geen middelen had om met haar kinderen in een huis te wonen. In redelijkheid kan niet worden volgehouden dat de weigering van bijstand op grond van appellantes verblijfsstatus geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen betrokken bij de weigering van bijstand en de particuliere belangen van appellante. Geen ongerechtvaardigde schending van 8 EVRM. Of art. 9 IVRK rechtstreekse werking heeft, wordt in het midden gelaten, nu de in dit artikel vervatte norm niet tot meer waarborgen leidt dan reeds voortvloeit uit art. 8 EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl