CRvB 23 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9395
Appellant heeft de Tunesische nationaliteit en woont sinds 1990 in Nederland. Hij heeft bij een onderzoek in het kader van de Wi gesteld wegens medische omstandigheden niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te halen. Naar aanleiding van die stelling heeft een GGD-arts het college geadviseerd. Dit advies is gebaseerd op spreekuurbezoek en medische informatie van de huisarts. Appellant wordt in staat geacht de voorbereidende cursus ter inburgering te volgen en binnen een termijn van 5 jaar het inburgeringsexamen te halen. Het college heeft krachtens de Wi onder meer besloten dat de kosten van het medisch advies ter hoogte van € 273,64 op de bijstandsuitkering van appellant in mindering worden gebracht. Raad: Appellant heeft gesteld dat het college ten onrechte de kosten van het medisch advies bij hem in rekening heeft gebracht. Het college dient bij zijn besluit of een inburgeringsplichtige op medische gronden al dan niet in staat is aan zijn inburgeringsplicht te voldoen zich in beginsel te baseren op een advies van een door dat college aangewezen onafhankelijke arts. De wet biedt geen grondslag voor het oordeel dat de kosten van dit medisch advies voor rekening komen van appellant. De vermelding in bijlage 4 bij de Ri, “Protocol medische advisering” dat de kosten voor het medisch advies voor rekening komen van betrokkene biedt deze grondslag niet. Dit omdat het Protocol is gebaseerd op art. 2.4, lid 3 van de Ri en dit artikelonderdeel geen grondslag biedt voor een nadere regeling ter zake van de kosten van de medische advisering.
De uitspraak op rechtspraak.nl